Home Nieuws ‘Een volledige groene industrie alleen mogelijk met CO2-opslag’

‘Een volledige groene industrie alleen mogelijk met CO2-opslag’

Foto met twee portretten van Ariane Giraneza
Achtergrond

Ariane Giraneza was duidelijk in haar toespraak tijdens het EBN-event Carbon Storage Dialogues op donderdag 16 februari: een volledig groene industrie is alleen mogelijk met Carbon Capture and Storage (CCS). En om CCS efficiënt en rendabel voor elkaar te krijgen, is Europese samenwerking nodig. “Het CO2-transport naar lege olie- en gasvelden onder de Noordzee vereist een grensoverschrijdende infrastructuur. Zonder infrastructuur zullen bedrijven niet investeren in de afvang van CO2. Het is daarom cruciaal dat België, Nederland en Duitsland samen een plan opstellen.”

Maatschappelijk belang

Een groot deel van de Europese uitstoot komt van grote industriële clusters in de drie landen, aldus Giraneza. “Liefst 18% van de Europese uitstoot komt van de productie van cement, staal en chemische stoffen. En 40% van het laatste wordt geproduceerd in Nederland, België en het Duitse Noordrijn-Westfalen.”

Deze industrieën vertegenwoordigen een groot maatschappelijk belang. Giraneza: “Er werken tienduizenden mensen en ze produceren basismaterialen die we ook in de toekomst hard nodig hebben. Oók voor de energietransitie: er zitten bijvoorbeeld tonnen staal en beton in een windmolen en zijn fundering. Het is belangrijk om voor die basisproducten niet van andere landen afhankelijk te worden. Hoe dat kan uitpakken, heeft de oorlog in Oekraïne ons geleerd.”

Prioriteit bij verduurzaming

Ook deze industrieën moeten aan de klimaatdoelen voldoen en mogen in 2050 dus geen CO2 meer uitstoten. Giraneza: “Daarvoor is een mix van maatregelen nodig. Energie-efficiëntie, circulariteit, een switch naar hernieuwbare energie én CCS. Industrieën draaien in 2050 nog niet volledig op groene waterstof. En zelfs als er genoeg groene waterstof zou zijn, blijven er chemische industriële processen die  CO2 uitstoten. Afvang, transport en opslag zijn dan ook absoluut noodzakelijk.”

Ze begrijpt de zorgen van sommige ngo’s die zeggen dat de aandacht voor verduurzaming zal verslappen bij bedrijven die CO2 opslaan. “De prioriteit moet nadrukkelijk liggen bij verduurzaming. Maar ik ben pragmatisch. Het duurt decennia om een industrie zonder CO2-uitstoot te realiseren, en die tijd hebben we niet. De CO2-uitstoot moet nú omlaag. En CCS kan binnen een paar jaar realiteit zijn.”

Europese samenwerking vereist

Een jaar geleden al riepen ngo’s – waaronder Bellona – België, Nederland en Duitsland op om samen te werken aan een goede infrastructuur voor het transport van CO2 naar opslagplaatsen onder de Noordzee. “De waardeketen van CCS kan alleen efficiënt en effectief zijn bij een Europese samenwerking. Er zijn gemeenschappelijke regels en definities nodig, want je gaat over landsgrenzen naar de Noordzee. En wat als er onderweg een lek is, wie is dan verantwoordelijk?”

De Europese Unie zou in de eerste maanden van dit jaar met een plan komen. Maar vooralsnog is het stil. Giraneza hoopt dat er snel duidelijkheid komt. “Een grensoverschrijdende infrastructuur is een no-regret investering. Want in 2050 is er nog steeds de historische CO2-uitstoot die we moeten afvangen via nieuwe technologieën zoals direct air capture. Het afvangen en opslaan van CO2 is geen tijdelijke oplossing.” Transport hoeft niet alleen via pijpleidingen te lopen. “De aanleg van leidingen kan lang duren. Dat ligt niet altijd makkelijk bij burgers; je moet altijd wel bij iemand door de tuin. Dat werkt vertragend. Voor de snelheid is het ook belangrijk om te kijken naar transport via de weg, het water en het spoor.”

Voortrekkersrol voor Nederland

Nederland kan en moet een Europese voortrekkersrol vervullen in CCS en de Europese samenwerking op dat gebied, vindt Giraneza. “Nederland is qua ontwikkeling ver en de overheid stimuleert CCS in woord én met geld via de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie, SDE++. Dat een publieke organisatie als EBN nauw betrokken is bij projecten, schept bovendien vertrouwen.”

Volgens haar is er nu momentum voor Nederland om proactief de Europese samenwerking op gang te trekken. Want steeds meer landen kiezen voor CCS. “Duitsland werkt aan een visie, in Denemarken zijn de eerste vergunningen voor ondergrondse opslag verleend en Northern Lights in Noorwegen is in ontwikkeling, daar kan opslag vanaf 2024 plaatsvinden. In Nederland voor het project Porthos is dat vanaf 2026. Er gebeurt veel, het is zaak om nu internationaal de krachten te bundelen.”

Morele verantwoordelijkheid

Giraneza vervolgt: “Zie projecten als Porthos en Aramis niet als puur Nederlands. Zoom uit, maak het Europees en zoek samenwerkingen over de grens. Durf groot te denken! Als er eenmaal een infrastructuur ligt die voor iedereen toegankelijk is en er genoeg opslagvelden zijn, zullen industriële bedrijven overgaan op CCS. Bedrijven willen de keuze hebben waar ze met hun CO2 naartoe gaan, er mag geen machtspositie ontstaan.”

Ze vindt dat landen in West-Europa de morele verantwoordelijk hebben om de wereld te laten zien dat een CO2-vrije industrie kán. “We hebben de mogelijkheden, dus moeten we het doen. Andere industriële clusters in bijvoorbeeld Oost-Europa en andere delen van de wereld waar ze veel minder ver zijn, kunnen ervan leren en profiteren. Om verdere opwarming van de aarde tegen te gaan, kunnen we simpelweg niet anders dan alles uit de kast halen om tot een groene industrie te komen.”