Historie van EBN
Groningen 1959
Toen na 1960 geleidelijk duidelijk werd van welke omvang de aardgasvondst in 1959 in Groningen was, realiseerde de Nederlandse overheid zich dat deze van grote betekenis zou worden voor de Nederlandse energiehuishouding. Men wilde een dergelijk strategisch belang niet alleen aan de oliemaatschappijen overlaten, zoals het geval was geweest bij eerdere olie- en gasvondsten. Gezocht werd naar een constructie waarbij de Staat naast de oliemaatschappijen vanaf het begin bij de winning en verkoop van dit aardgas zou worden betrokken. De Nederlandse regering baseerde zich bij haar keuze van de te vormen organisatie voornamelijk op twee overwegingen, die door de toenmalige minister van Economische Zaken De Pous zijn verwoord in de Aardgasnota, die in juli 1962 bij het Parlement werd ingediend.
- "De afzet- en prijspolitiek dienen gebaseerd te zijn op economische en commerciële maatstaven, waarbij ernaar gestreefd moet worden om met het beschikbare aardgas een zo groot mogelijk nationaal-economisch voordeel te verkrijgen.”
- "Bij de exploitatie van het aardgas dient in de eerste plaats te worden gestreefd naar plaatsing van dit gas op de markt van de openbare gasvoorziening (o.a. ter vervanging van cokesovengas) en voorts op de markt van de hoogwaardige industriële toepassingen."
Staatsmijnen / DSM
De overheid beschikte niet over de kennis en de kunde voor de productie, distributie en verkoop van energieproducten. Om verzekerd te zijn van de gewenste industriële en commerciële aanpak besloot de overheid participatie te realiseren via Staatsmijnen in Limburg, de voorloper van DSM N.V. Daarbij kon worden geprofiteerd van de industriële en commerciële ervaring van DSM als grote energieproducent, die reeds een gevestigde positie op de Nederlandse gasmarkt in nam en daarmee ervaring inbracht op het gebied van distributie en verkoop. Als industriële entiteit was DSM ten opzichte van de andere participanten (Shell en Esso) een goede partner.
De gewenste snelle introductie van het aardgas kon onder meer worden bespoedigd door de inbreng van het leidingnet van DSM en van de lange termijn leveringscontracten van cokesovengas tussen een groot aantal Zuid-Nederlandse gemeenten en DSM, alsmede de inbreng van het Staatsgasbedrijf en de tot dan toe door Hoogovens beleverde gasmarkt in Noord-Holland. Op grond hiervan werden uiteindelijk opgericht:
- De Maatschap Groningen voor de productie van het Groningse aardgas, waarin NAM voor 60% en DSM voor 40% deelnamen. De feitelijke winning van het aardgas geschiedt door NAM, een 50/50 dochter van Shell en Esso.
- De N.V. Nederlandse Gasunie voor de inkoop, distributie en verkoop van aardgas, waarin DSM voor 40%, Shell en Esso elk voor 25% en de Staat rechtstreeks voor 10% deelnamen.
Het geheel wordt ook wel aangeduid als het gasgebouw.
Ook in later door de Staat uitgegeven concessies en vergunningen voor de winning van gas werd DSM aangewezen om namens de Staat voor 40% te participeren.
DSM Aardgas B.V. / EBN
In overleg met de Staat werden de belangen van DSM bij de winning, het vervoer en de afzet van aardgas op 1 januari 1973 ondergebracht in een afzonderlijke juridische eenheid DSM Aardgas B.V., een 100% dochter van DSM.
Als gevolg van een Koninklijk Besluit werd in 1976 ook staatsparticipatie in de winning van olie mogelijk gemaakt. Tegelijkertijd werd het participatiepercentage verhoogd van 40% naar 50% in vergunningen die vanaf dat moment verleend werden. Sinds 1996 is bij Koninklijk Besluit het participatiepercentage verlaagd van 50% naar 40%. In het kader van maatregelen ter verbetering van het mijnbouwklimaat heeft de minister per 1 juli 2000 ook de mogelijkheid opengesteld voor deelname van EBN in opsporingsvergunningen.
De beursintroductie van DSM N.V., de enige aandeelhouder van DSM Aardgas B.V., had op formele gronden tot gevolg dat alle aandelen van DSM Aardgas B.V. in januari 1989 werden overgedragen aan de Staat. De naam van DSM Aardgas B.V. werd gewijzigd in Energie Beheer Nederland B.V. (EBN). Het takenpakket en de werkrelaties met DSM N.V. bleven. Met ingang van 1 januari 2006 is de beheersovereenkomst tussen de Staat, EBN en DSM gewijzigd, waardoor een einde kwam aan de bestuurlijke verantwoordelijkheid van DSM voor EBN. De directie van EBN rapporteert aan de raad van commissarissen
Per 1 januari 2006 is een onafhankelijke raad van commissarissen door de Staat benoemd.




