Olie en Gas
Deelnemingen
In 2010 zijn 2 winningvergunningen van kracht geworden waarin EBN deelneemt. Daarnaast is EBN uitgenodigd om in 8 nieuwe opsporingsvergunningen deel te nemen. Er zijn 5 opsporingsvergunningen terug- gegeven en 2 winningvergunningen zijn samengevoegd tot 1 vergunning. Per 31 december 2010 participeert EBN in 126 winning- en 48 opsporingsvergunningen. Het aantal deelnemingen van EBN is in de afgelopen jaren fors gestegen ten opzichte van de jaren daarvoor. Dit is vooral het gevolg van de splitsing van een aantal vergunningen. Het aantal operators neemt ook verder toe, vooral operators die geen deel uitmaken van wereldwijd opererende bedrijven. Deze kleinere maatschappijen werken doorgaans anders dan de grote oliemaatschappijen. Ook zijn ze technisch en financieel anders georganiseerd. De komst van deze nieuwe spelers hangt samen met de afnemende interesse van de grotere spelers. Die laatste investeren bij voorkeur in omvangrijke projecten met een hoge ‘risk en reward’ ratio. In Nederland gaat het de komende jaren vooral nog om marginale velden en onconventionele voorkomens die kleinere operators waarschijnlijk kostenefficiënter kunnen ontwikkelen.*/ ?>
EBN deelname in opsporingsactiviteiten
Als een bedrijf in Nederland bodemschatten (koolwaterstoffen) wil opsporen is een opsporingsvergunning nodig krachtens de Mijnbouwwet. In de Mijnbouwwet is in afdeling 5.2.1, artikelen 81 t/m 88, geregeld dat op verzoek van de vergunninghouder EBN kan deelnemen in opsporingswerkzaamheden. EBN en de vergunninghouder zullen in dat geval voor hun gezamenlijke rekening de opsporingswerkzaamheden verrichten. Dit wordt nader geregeld in een door de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goed te keuren overeenkomst van samenwerking tussen de vergunninghouder en EBN.
De vergunninghouder heeft een belang van 60%, EBN van 40%. EBN verkeert in een identieke rendement- en risicopositie als de vergunninghouder. Door deze deelneming van de Staat in opsporingsvergunningen wordt de (financiële) drempel voor exploratieboringen verlaagd. Als een bedrijf wil dat EBN in bovengenoemde opsporingsactiviteiten gaat participeren, kan het rechtstreeks EBN benaderen voor deelname. Zo’n verzoek moet worden gericht aan:
EBN
t.a.v. Algemeen Directeur
Postbus 19063
3501 DB UTRECHT
Na ontvangst van het verzoek zal EBN een conceptovereenkomst van samenwerking opsturen voor commentaar. Pas nadat de overeenkomst door de partijen is getekend en de minister de overeenkomst heeft goedgekeurd, zal EBN formeel participeren en delen in de kosten.
EBN deelname in winningactiviteiten
Als in een opsporingsvergunning koolwaterstoffen zijn aangetoond, kan de houder van de desbetreffende opsporingsvergunning een winningvergunning aanvragen krachtens de Mijnbouwwet. In afdeling 5.2.2., artikelen 89 t/m 97 van de Mijnbouwwet, is vastgelegd dat de Staat EBN kan aanwijzen om in de winning te participeren. Net zoals bij de opsporing is het belang van de vergunninghouder vastgesteld op 60%, dat van EBN op 40%. Deze deelneming wordt via een overeenkomst van samenwerking tussen EBN en de vergunninghouder vastgelegd. Ook deze overeenkomst behoeft goedkeuring van de minister.
Hoofdregel is dat bij de winning staatsdeelneming plaatsvindt. Slechts indien winning voor de Staat financieel nadelig zou uitvallen, of indien de risico’s daarop als te hoog worden ingeschat, heeft de minister de bevoegdheid om bij de vergunningverlening af te zien van staatsdeelneming.
Indien EBN niet betrokken is geweest bij de opsporingsactiviteiten in de opsporingsvergunning, welke direct voorafgaat en aansluit op de winningvergunning, wordt in de overeenkomst in het kader van de winningvergunning opgenomen dat door EBN aan de vergunninghouder een bedrag van 40% wordt vergoed van de gemaakte kosten voor het opsporen van een voorkomen, het nader verkennen daarvan en van de verdere investeringen ten behoeve van de mijnbouwwerkzaamheden. Dit is de zogenaamde inbrengvergoeding.
Indien een vergunninghouder aanvullende exploratiewerkzaamheden verricht in het gebied waarvoor zijn winningvergunning geldt, zal EBN, in het geval dat EBN deelneemt in de winningvergunning, ook participeren in die aanvullende opsporingswerkzaamheden.
Kleineveldenbeleid
Om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk gas opgespoord en gewonnen zou worden, werd het kleineveldenbeleid ontwikkeld. Kern daarvan is dat de gasproductie uit kleine velden voorrang krijgt boven productie uit het Groningenveld. Dat wordt mogelijk gemaakt door de unieke eigenschap van het Groningenveld, namelijk dat het gas uit dat veld op een flexibele manier kan worden geproduceerd.
In de Gaswet is vastgelegd dat GasTerra verplicht is het gas uit kleine velden met voorrang af te nemen tegen geldende marktprijzen. GasTerra koopt het meeste gas uit kleine velden in en verkoopt dat (mét het gas uit het Groningenveld) in binnen- en buitenland.
Gas- en oliemaatschappijen mogen het gas vanzelfsprekend ook verkopen aan andere partijen, maar zij zijn in ieder geval verzekerd van afname tegen markprijzen door GasTerra, zonder te hoeven wachten. Tevens dekt GasTerra het reserverisico af. Dat maakt het voor producenten aantrekkelijk het gas uit kleine velden te ontwikkelen. Het kleineveldenbeleid bleek zeer succesvol. Vanaf de jaren ’70 zijn in Nederland talloze gasvelden gevonden. Dit zijn bij lange na niet zo omvangrijk als het Groningenveld, maar allemaal samen wel ongeveer zo groot als eenderde van dat veld. Van het uit die velden gewonnen gas maken vele huishoudens in Nederland en Europa gebruik. Bovendien zorgt het kleineveldenbeleid ervoor dat we langer kunnen profiteren van het zo bijzondere Groningenveld.
... óók in de toekomst
Op die manier zijn de afgelopen decennia bijna duizend miljard kubieke meters aardgas uit kleine velden geproduceerd. Door deel te nemen in een groot aantal samenwerkings-verbanden met olie- en gasmaatschappijen op het gebied van opsporing en winning, heeft EBN daaraan bijgedragen.
Inmiddels beginnen veel van die kleine velden leeg te raken. Het wordt moeilijker het laatste gas nog te winnen. Daarnaast wordt het voor maatschappijen minder aantrekkelijk de nog resterende kleine velden te ontwikkelen. EBN wil zich er actief voor inzetten om ook de komende jaren nog zoveel mogelijk van het gas uit kleine velden te winnen. Vanwege de veranderende omstandigheden zal dat meer inspanning vergen. Bovendien moet het snel: bestaande infrastructuren verouderen en zullen de komende decennia of ingrijpend verbouwd of ontmanteld moeten worden. Dit betekent dat de rol van EBN verandert. EBN wil veel meer dan voorheen gaan optreden als ‘trekker’ van projecten om olie en gas uit kleine velden op te sporen en te winnen.




